8 juli 2018

Overpeinzingen

De akker en ik

Vanuit de trein kijk ik naar de lichtgrijze lucht schuin boven me. Er zijn wolken in dier- en lettervormen en vanachter één van hen piept even een zonnestraal tevoorschijn. Zij creëert een lichtspel dat doet denken aan schilderijen uit de zeventiende eeuw, en verdwijnt dan even plotseling als ze kwam. Nederlandse luchten zijn het mooist. Over een klein half uur zal de trein stoppen op een station in het zuiden des lands. Maar ik stap uit ergens midden in het verlaten landschap.

Op mijn gemak wandel ik naar de rand van de uitgestrekte akker die ik straks vanuit de trein zag. Als een zee strekken overvloedige meters aan rulle grond zich uit, keurige voren incluis, de grond variërend van houtachtig leem tot zwaar donkerbruin. Ze is vlak en ik kan haar helemaal overzien, tot aan de rij bomen daar heel in de verte. Een akker, een baken van rust onder een bewolkte lucht. Diep snuif ik de geur van vochtige aarde op, en luister aandachtig. Er is slechts de aangenaam koele wind op een tijdloze plek. Maar verhalen zijn overal, en naarmate ik hier langer ben voert de wind geuren en gebeurtenissen mee uit een tijd van weleer, plant ze in mijn hoofd, en maakt zo enkele waardevolle nieuwe herinneringen aan iets dat ik niet ken, niet kan kennen, maar wel voel.

Mijn vingers graven in de grond en ik laat de aarde van de akker losjes door mijn vingers glijden. Dan sla ik haar op in mijn hoofd. Het is alles dat ik kan doen. Ik sla haar op, zorgvuldig, ergens in de buurt van het speelgoedmuseum en de ui-klank.

21 juni 2018

Kill Your Darling

Acryl op canvas, 2018

"Here's the sad story
about a deer and a man
A romantic scene from a lullaby
in a clearing green, where his eyes met mine
I was frozen motion
oh his bow was raised
Then the fleeting notion

that my life he'd save..." 

Rasputina - Hunter's Kiss

4 juni 2018

Overpeinzingen

De overlevering 

Er zijn schepen, van allerlei tuigage, die glorieus door de zeventiende eeuw voeren en tenslotte waardig ten onder gingen. Geleefd, weliswaar, en gepokt en gemazeld, maar vredig. Hun tijd kwam, soms vroeg, soms laat, en alwetend gaven zij zich over. Hun enorme houten rompen rusten op stille zeebodems, hun gebroken masten verspreid als de botten van geraamtes. Kalm liggen zij, althans hun lichamen, verstild in de tijd, hun ziel losgebroken uit haar ketenen. Soms zijn ze überhaupt niet tastbaar meer, omdat ze compleet vergaan zijn, of afgebroken. Zulke schepen zijn nog slechts handgeschreven namen in verbleekte inkt, opgetekend in de registers van weleer. Damiate. Zeven Provinciën. Brederode. Wapen van Amsterdam.

Hoe dan ook, hun ziel is lang geleden al vertrokken uit de tijd. Wat ons rest is, met geluk, een ogenblik, een vreemde lichtflits die we niet kunnen plaatsen, een déjà vu misschien, welke, voordat we werkelijk beseffen, na een luttele seconde weer uitdooft. Deze schepen zijn als dromen die zich te ver in onze herinnering hebben teruggetrokken, waardoor ze onbereikbaar zijn geworden.

M
aar met sommige schepen loopt het slecht af. Hun lot is als een ziekelijke smet, als de afdruk van de bliksem. Zij kunnen zich niet overgeven; hun lichamen noch hun zielen vinden rust. Zij dwalen door de eeuwen, steeds meer vervreemd van hun oorspronkelijke tijd. Het schip uit de legende van de Vliegende Hollander is zo’n schip. Eindeloos doolt zij door de Kaap, nacht in nacht uit, en gaat nimmer voor anker. Flarden smerig, grauw zeil hangen als een macabere versiering om haar rotte masten. Zout zeewater dringt zich naar binnen door haar verweerde flanken. Haar gigantische houten stuurrad draait weliswaar, maar op het dek bevinden zich slechts spookachtige verschijningen. Daarginds, achter de mast, staat de schipper. Hij geeft immer dezelfde toonloze bevelen. Op het overloopdek zwoegt het scheepsvolk, matrozen en scheepsjongens. Hun kledij reeds lang uit de tijd, hun oogkassen hol in hun bleke gezichten, hun ijl gezang verloren gaand in het gejammer van de wind...

Of is het de wind zelf? Is deze spookschuit slechts een hallucinatie, een schimmig hersenspinsel, van hen die zelf door de eeuwen dwalen?